Diarra-zaak: waarom dit belangrijk is voor voetbal, zaakwaarnemers en contracten

De recente ontwikkeling in de zaak rond oud-profvoetballer Lassana Diarra laat opnieuw zien hoe complex en juridisch zwaar de voetbalwereld is geworden. In deze zaak eist de speler een schadevergoeding van ongeveer 130 miljoen euro, na een jarenlang conflict over contractbreuk en sportregels.

Deze zaak is niet alleen belangrijk voor spelers, maar ook voor zaakwaarnemers, clubs en juristen in het voetbal.

Juridische beschrijving

De recente ontwikkelingen in de zaak van oud-profvoetballer Lassana Diarra illustreren dat contractuele geschillen in het profvoetbal niet uitsluitend civielrechtelijk van aard zijn, maar tevens worden beheerst door het Unierechtelijke kader inzake arbeidsmobiliteit en mededinging. In de procedure stond centraal of FIFA-regels over contractbeëindiging, schadevergoeding, hoofdelijke aansprakelijkheid van de nieuwe club en het uitblijven van een internationaal transfercertificaat verenigbaar zijn met Zaak C-650/22.

Volgens het Hof van Justitie geldt dat regels die een speler feitelijk beletten om na een contractconflict elders in de Unie zijn beroep uit te oefenen, een belemmering van het vrije verkeer van werknemers kunnen vormen. Het Hof overwoog:

Artikel 45 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen regels die zijn vastgesteld door een privaatrechtelijke organisatie die onder meer tot doel heeft het voetbal op mondiaal niveau te reglementeren, te organiseren en er controle op uit te oefenen, en waarin is bepaald dat: – ten eerste, een profvoetbalspeler die partij is bij een contract en aan wie wordt verweten dat contract zonder gerechtvaardigde reden te hebben verbroken, en de nieuwe club die hem na die contractverbreking in dienst neemt, hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de betaling van een schadevergoeding aan de oude club waarvoor die speler was uitgekomen en die moet worden vastgesteld aan de hand van criteria waarvan er sommige onnauwkeurig of discretionair zijn, sommige elk objectief verband met de betrokken arbeidsverhouding ontberen en sommige onevenredig zijn.

Het arrest is voor spelers, clubs en intermediairs van direct belang omdat het Hof tevens het registratiemechanisme en de sportieve sancties in samenhang heeft beoordeeld. Het Hof stelde vast dat deze regels nieuwe clubs blootstellen aan “aanzienlijke juridische risico’s, onvoorzienbare en mogelijkerwijs zeer grote financiële risico’s alsook grote sportgerelateerde risico’s”, waardoor zij er “meer dan waarschijnlijk” van worden weerhouden de betrokken speler aan te trekken Zaak C-650/22 (punten 92-93).

Daarmee raakt deze zaak de kern van moderne voetbalcontracten:

  1. de afdwingbaarheid en begrenzing van contractuele stabiliteitsregels;
  2. de verenigbaarheid van FIFA-regelgeving met Verordening (EU) 2011/492, die bepaalt dat iedere onderdaan van een lidstaat het recht heeft om in een andere lidstaat arbeid in loondienst te aanvaarden en te verrichten;
  3. de vraag welk recht op de spelersovereenkomst van toepassing is onder Verordening (EU) 2008/593, met name bij individuele arbeidsovereenkomsten;
  4. de procesrechtelijke en handhavingsvragen rond bevoegdheid en grensoverschrijdende geschillen onder Verordening (EU) 2001/44.

Voor zaakwaarnemers volgt hieruit dat deskundige begeleiding in het profvoetbal niet kan volstaan met commerciële onderhandelingservaring. De relevante beroepsuitoefening vereist inzicht in contractenrecht, aansprakelijkheidsvragen, toepasselijke FIFA-reglementen en het dwingende Unierechtelijke kader dat aan die reglementen grenzen stelt. Dat sportregels onder dit kader vallen, is in de rechtspraak bevestigd, omdat sportbeoefening voor zover zij een economische activiteit betreft onder het Unierecht valt Zaak C-680/21. Ook oudere rechtspraak bevestigt dat artikel 45 VWEU niet alleen overheidsoptreden raakt, maar ook private regelingen die arbeid in loondienst collectief structureren Zaak C-325/08.

De publiek bekende processtand rechtvaardigt intussen terughoudendheid bij stellige feitelijke claims over de schadeomvang. Uit de beschikbare webbronnen volgt dat de prejudiciële beslissing van het Hof niet zelf de schadevergoeding heeft vastgesteld, maar richtinggevend is voor de verdere Belgische procedure. In die berichtgeving wordt gesproken over een eerdere vordering van €6 miljoen, een vervolgclaim van €6,5 miljoen en ook over berichtgeving over een eis van €65 miljoen Zaak-Diarra krijgt vervolg met eis van 65 miljoen euro, FIFA krijgt stevige tik in zaak-Diarra, maar is niet knock out – EW, Uit de beschikbare bronnen kan een schadeclaim van circa €130 miljoen daarom niet betrouwbaar worden vastgesteld.

Juridisch zuiver geformuleerd is de kern daarom deze: de Diarra-zaak toont dat contractuele stabiliteit in het profvoetbal een legitiem belang kan zijn, maar dat FIFA-regels die spelersmobiliteit beperken en nieuwe clubs met onevenredige risico’s belasten, slechts standhouden indien zij noodzakelijk en proportioneel zijn. Voor spelersbegeleiding en contractadvies betekent dit dat kennis van civiel recht alleen onvoldoende is; ook het Unierechtelijke kader van arbeidsmobiliteit, toepasselijk recht en sportregulering is beslissend.

1 gedachte over “Diarra-zaak: waarom dit belangrijk is voor voetbal, zaakwaarnemers en contracten”

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven